(U kunt met pijltoetsen van uw toetsenbord scrollen.)

“Neen, hij moet meer lijden! Verzwaar de gewichten!”
Terwijl ze de woorden uitsprak, streelde zij de steen aan het draagsnoer. De stem van de gemaskerde vrouw op de stenen zetel klonk koeltjes. Een der maagden bij het slachtoffer pakte een groot gewicht en plaatste het bij de andere op de ijzeren schaal.
Het gekreun van het slachtoffer werd dieper en de ademhaling stokte even. Toen opende hij zijn ogen, keek zijn beul aan en spuwde bloederig speeksel over het gezicht van het lieftallige naakte meisje. Rustig deed ze een stap naar achteren, liet zich het gezicht schoonvegen door haar vakzuster en keek naar de gemaskerde. Die liet een wrede lach horen, stond op van de zetel en hief haar hand op.
“Open de gordijnen!”
De martelkamer werd verlicht door toortsen. Hun oranjegele schijnsel deed de volmaakt ronde vorm van de grote zaal echter niet goed uitkomen. De fakkels waren vochtig – te lang niet gebruikt. Bovendien was er weinig toevoer van frisse lucht. Het gordijn werd weggetrokken. De beide maagden gingen weer bij de marteltafel staan: een grote massieve plaat van rood graniet, waarop een man lag, grauw van de doorstane tortuur. Om zijn keel was een lederen band die zijn hoofd tegen de steen gedrukt hield. Zijn polsen en enkels waren verankerd in ijzeren klemmen. Beide voeten waren gruwelijk verminkt en op de buik rustte een ijzeren schaal die aan de onderzijde voorzien was van pinnen. Het gewicht van meerdere stenen drukte de pinnen in het zachte vlees.
Achter de gordijnen waren cellen die als een ring om de centrale zaal heen waren gebouwd. Op twee plaatsen was de ring doorbroken. Er liep zowel een pad naar de goed zichtbare westelijke deur als naar de oostelijke die in het donker gehuld was. De cellen waren van steen en hadden slechts één opening gericht naar het middelpunt. Daar stond het onafwendbare eindpunt van elke gevangene – de marteltafel precies in het midden.
In tien van de cellen zat of lag een ongelukkige zo ver mogelijk weggekropen in een hoek. Ze hadden geen kleren dan het vuil dat hun aankleefde. Door het openen van de gordijnen ontwaakten ze uit hun versuftheid van een wekenlange opsluiting in het bijna tastbare duister van de zaal. Degenen die er het langst waren, kenden de volgorde van de offerhandelingen. Na een eeuwigheid duisternis was er opeens licht. De fakkels werden geplaatst als de vrouwe en haar beulen binnenkwamen en daarna werden er gordijnen voor de cellen getrokken. Ze konden eerst alleen maar luisteren naar de gruwelen die één hunner op de patella moest doorstaan. De goed gedoseerde wreedheid van de gemaskerde vrouwe, de kreten van de gemartelde, de scherpe geur van geschroeid vlees – alles was bedoeld om hen murw te maken. De sierlijke meisjes openden op een bevel de gordijnen en op datzelfde ogenblik trok de gemaskerde een hefboom naar beneden. Door een stelsel van gewichten en katrollen werden de geboeiden in de cellenring omhoog en naar voren gesleept. Dan moesten ze kijken naar het martelblok. Wie niet keek werd gegeseld. Straks zouden zij op deze goddeloze dis worden opgediend, hun geest en weerbaarheid lang te voren vernietigd.
“Kijkt dwazen. Dit is het lot van hen die de grote Calliah gewijd zijn als offer!” De beide maagden haalden met hun tangen twee lange roodgloeiende pinnen uit de ijzeren vuurpot en liepen terug naar de gruwelijke offerplaat.
Het werd stil. Het offer bewoog niet meer. Stom van afgrijzen wendden de gekooiden zich af, nadat de kettingen waren gevierd. Dierlijke angst broeide in hun ogen. Twee waren gegeseld. Ze rochelden van de pijn. Van de geofferde op de patella was niet veel meer over dan een ontvelde romp met een hoofd eraan. Alleen de keelband hield de nu stille bloederige homp in een zinloze greep. De vrouwe had bevel na bevel gegeven en de beide maagden hadden tot in de meest wrede precisie alle handelingen verricht aan de uitgekozene. Ze rekten de tortuur des doods tot een hel van twee volle uren. Vuur, water, zout en scherpte bereikten wat hij lang wist uit te stellen – zijn trotse diepe stem verwilderde eerst tot brullende kreten, daarna tot hoge gierende gillen en werd ten slotte zwakker en hees. Het laatste geluid versmoorde tot dierlijke geluiden die verstierven bij de laatste amputatie.
Een vreemde donkerheid kwam los uit de opening van de oostdeur. Het was of een stuk schaduw zich verdichtte en opbolde uit het duister. Het nam de vorm aan van een wezen dat uit boomschors was opgebouwd.
Een tandeloze mond opende zich boven het stervende slachtoffer en er klonk een slorpend geluid. Toen trok de schaduw zich terug en verdween.
“De grote Calliah heeft haar eer gekregen,” sprak de meesteres. “Werp zijn resten in de onderwereld.”
De altijd zwijgende maagden kweten zich nauwkeurig van deze taak. Er werd een luik opgelicht en in de stinkende donkerte daaronder werd alles geworpen wat eens tezamen het lichaam van een sterke zwartharige man had gevormd.
“Dit lot wacht u allen!”
Ze beet het de gevangenen toe.
Tot de twee dienaressen beval ze:
“Dooft de fakkels!”

(Sluit s.v.p. dit venster om terug te keren.)